Interview: Dimitri Roels probeert altijd iets nieuws

De geur alleen al. De smaak, bovendien. En dan is het nog ontzettend voedzaam ook. Gek genoeg was het een type brood dat in Nederland en België onderschat werd. Daar wilde Dimitri Roels (Sluis, 1969) verandering in brengen. Samen met zijn vrouw Diante richtte hij in 1996 het Vlaamsch Broodhuys op. Uit liefde voor het zuurdesembrood. Een bakker met een missie.

We ontmoeten hem in Vlaardingen, waar de bakkerij en het hoofdkantoor gevestigd zijn. Dimitri vertelt over zijn Zeeuws-Vlaamse roots, het bikkelen in de keukens van sterrenrestaurants, en de lessen van ruim twintig jaar Vlaamsch Broodhuys.

Dit stuk verscheen in editie 7 van eej! magazine.

Geen boer, geen kakker

‘Een van onze zonen heeft eens een paar Vans voor me laten maken met op de achterkant: geen boer, geen kakker. Ik kreeg ooit in een interview de vraag waar mensen als Sergio Herman, Roger van Damme en ik hun drive vandaan halen. Dat probeerde ik te analyseren. Wij gingen best vaak op stap in Knokke. Tussen de chique mensen ben je dan toch een beetje dat stel boertjes uit Zeeuws-Vlaanderen. Wij wilden geen boer zijn maar ook geen kakker, wij wilden ons eigen pad bewandelen. Dat was denk ik wel een drijfveer om zo hard te werken. Om te proberen onszelf te onderscheiden.’

Dimitri groeide op in Sluis, Aardenburg en Retranchement. Hij brengt nog regelmatig een paar dagen door in Zeeuws-Vlaanderen. ‘Dat is fantastisch. Het is wel jammer om te zien dat de kernen nu minder leven. Nu er rondwegen zijn, komen mensen er ook niet meer doorheen. Ik rij soms binnendoor, gewoon om die straten nog eens te zien. Dat geeft me een goed gevoel. Twee jaar geleden bestond onze zaak twintig jaar en maakten we een filmpje om te laten zien wat ons DNA is. Toen zijn we naar Zeeuws-Vlaanderen gegaan. De polders, de knotwilgen, de kust: daar liggen mijn roots. Dat wilde ik dan ook laten zien. Ik las bij de NOS dat na de Friezen de Zeeuwen het meest trots zijn op de eigen provincie. Ik voel die trots ook.’

Mijn ouders wilden liever dat ik iets anders ging doen, maar ik was verliefd op het ambacht.

‘Die achtergrond heeft nog elke dag invloed op wat ik doe. Het idee van ‘ik worstel en kom boven’ slaat ook wel op mijn leven. Ik heb niet de makkelijkste weg gekozen. Via het werk heb ik mezelf alles aangeleerd. Dat is weleens zwaar, zeker als je in de huizen werkt waar ik gewerkt heb. Bij De Swaen (sterrenrestaurant van Cas Spijkers in Oisterwijk, red.) draaiden we zeventig, tachtig uur in de week. En bij Comme Chez Soi in Brussel was het nog veel gekker.’

Sterrenjacht in Oisterwijk

De avonturen in toprestaurants waren eigenlijk een leerzame omweg, want Dimitri was al vroeg in de ban van het brood. ‘Op de lagere school in Aardenburg raakte ik bevriend met de zoon van een bakker. In die bakkerij raakte ik bevangen door het bakvirus. Daarna heb ik het bakkersvak geleerd op LTS De Vaart in Terneuzen. Mijn ouders wilden liever dat ik iets anders ging doen, maar ik was verliefd op het ambacht. Daarna volgde ik Koken/Serveren en heb ik tijdelijk afscheid genomen van het bakkersvak.’

Op de camping van zijn ouders sprak hij iemand die hem in contact bracht met de bekende kok Cas Spijkers. Hij draaide een week mee in De Swaen en mocht er later terugkomen voor een uitgebreidere stage. Toen die een paar weken onderweg was, kreeg Dimitri een contract aangeboden. ‘Cas zei: “We willen je graag toevoegen aan ons team om samen de derde Michelinster binnen te halen.” Die kans heb ik met beide handen aangegrepen. Het was het eerste Nederlandse restaurant dat twee sterren had.’

In de rest van het interview vertelt Dimitri wat hij leerde bij verschillende sterrenrestaurants, waar zijn liefde voor het zuurdesembrood ontstond, hoe het Vlaamsch Broodhuys van start ging en wat de grootste lessen zijn van ruim twintig jaar ondernemerschap: ‘Altijd blijven zoeken, altijd blijven proberen.’

Met dank aan Dimitri Roels en eej! magazine.

Interview: Barre Verkerke daagt je ogen uit

“Is het een ambacht of is het kunst? Er zit een dunne lijn tussen,” zegt Barre Verkerke (1983). Op zijn 16e begint hij als huisschilder. Zijn desinteresse is groot, tot hij een onderdeel van het vak leert kennen waar hij verliefd op wordt, en hij zich zich in razend tempo verder ontwikkelt. Kenners rekenen hem tot de internationale top van de decoratiewereld.

In zijn thuisbasis, Atelier het Raadhuis in ‘s-Heer Arendskerke, vertelt Barre over groei, het combineren van verschillende stijlen, en zijn plan om zich niet te specialiseren.

Dit stuk is verschenen in editie 6 van eej! magazine.

Stad van kristal

Tja, kunst of ambacht? “Dat is interessant aan mijn vak, dat daar altijd discussie over is. Die vraag kreeg ik al toen ik net voor mezelf was begonnen. Ik zweef er graag een beetje tussen. Mijn vader is kunstenaar en veel vrienden van mij ook, dus soms word ik meer naar de kunst toe getrokken. Maar het ambacht lijkt intussen in de vergetelheid te raken en dan ga ik me juist meer inzetten om het in leven te houden.”

“De vraag is ook wat kunst precies is. Soms lopen mensen langs mijn decoratiewerk en zeggen ze ‘dit vind ik nou kunst’. Ik denk dan vaak ‘nee, dit is gewoon decoratie, mijn vak’. Langzaam krijg ik duidelijker zicht op die tweedeling, ook dankzij discussies met anderen.”

Bijvoorbeeld bij het Internationale Salon van Decoratieschilders, een genootschap waar Barre sinds 2010 deel van uitmaakt. “Mijn werk valt daar soms een beetje buiten de boot. Een aantal jaar geleden was er een bijeenkomst in Tokyo. Toen had ik een kristal-imitatie gemaakt in de vorm van een stad, geïnspireerd door Tokyo. Ik zag die imitatie als decoratie. Anderen vonden het een kunstwerk, vanwege de gedachtegang erachter en de manier waarop het was gemaakt. We hadden de traditionele techniek gecombineerd met een 3D-printer, en 3D was daar nog niet echt gangbaar. Het was iets nieuws en dus blijkbaar kunst, omdat het in het ambacht gaat om herhaling, vaste technieken en doelmatig werken.”

Leren buffelen

Ooit begon Barre als huisschilder. “Ik was dat niet van plan. Ik wilde eigenlijk de muziek in, speelde al piano sinds ik klein was. Op mijn zestiende had ik geen idee wat ik wilde doen. Mijn broer was al huisschilder en die nam me weleens mee. Ik ben toen hetzelfde werk gaan doen. Ik vond er weinig aan, het plan was vooral om geld te verdienen voor een studio en dan verder te gaan met de muziek.”

Als iets je inspireert, en je daar je best voor wil doen, dan wordt het pas echt leuk.

“Intussen ging het niet heel goed op de schildersschool. Ik blowde weleens en iemand had dat tegen de docenten gezegd. Toen zei de school ‘je hebt geluk dat er toch nog één bedrijf is dat jou een stageplek wil bieden’. Als er geen stagebedrijf was overgebleven, was het einde verhaal geweest. Dat bedrijf heeft me toen neergezet als een goedkoop ventje dat lekker het ragwerk mag doen. Ik heb een jaar lang behang afgestoken in flats en zo. Dan is er weinig aan, maar ik heb wel leren buffelen.”

Hout en marmer imiteren

Na een tijdje maakte Barre kennis met decoratie. “Dat komt uit het huisschildersvak, maar ik had er geen idee van – tot ik een keer meedeed aan een cursus houtimitatie. Ik was meteen verkocht. Schuren wordt vaak gezien als iets vervelends, maar daar zag ik ineens wat voor moois je ermee kan maken, zeker als je het combineert met verfkennis. Ik dacht ‘er is dus wél iets leuks te doen’, ging me verder verdiepen in het huisschildersvak en toen vond ik het ineens prachtig. Als iets je inspireert, en je daar je best voor wil doen, dan wordt het pas echt leuk. Naast hout vond ik marmer-imitaties ook geweldig. Toen ben ik als het ware helemaal doorgeslagen in het decoratievak. Ik heb zestien jaar opleiding in tien jaar gepropt, terwijl het ooit dus bijna was afgelopen op school.”

In de rest van het interview gaat Barre in op het combineren van traditionele en moderne technieken, kruisbestuiving tussen verschillende kunstvormen, en persoonlijke ontwikkeling: “Dat fascineert me het meest: dat je eigenlijk alles kan maken wat je wil. Zolang je maar van alles blijft proberen.”

Met dank aan Barre Verkerke en eej! magazine.

Interview: de muziek van Moods zit vol echte liefde

Thuis in Middelburg begon hij beats te maken toen hij 12 was. Nu, zo’n veertien jaar later, is hij een veelgevraagd producer en komt zijn debuutalbum eraan. Hoog tijd om eej! te zeggen tegen Nick a.k.a. Moods.

Dat deden we tijdens een kop koffie in hartje Rotterdam. Een gesprek over overleven in de supermarkt, optreden van Keulen tot Marrakesh, en mensen die elkaar vonden dankzij zijn muziek.

Dit stuk verscheen in editie 3 van eej! magazine.

Vrije val

“Een jaar of acht geleden ben ik van Middelburg naar Rotterdam verhuisd om naar het Grafisch Lyceum te gaan. Toen ik de opleiding Grafisch Vormgeven had afgerond, wou ik verder naar de Kunstacademie. Ik wilde doorleren voor illustrator, maar ik werd niet aangenomen,” vertelt Nick met zijn handen om een cappuccino. “Ik vroeg me af: zal ik dit jaar wijden aan het verbeteren van mijn portfolio en het nog eens proberen, of ga ik me richten op mijn muziek?”

Het mag duidelijk zijn: het werd de muziek. “Maar daar kon ik nog geen inkomsten mee genereren. Ik belandde in een supermarkt waar ik 32 uur in de week ging werken. De muziek vroeg ook veel tijd en dat was lastig te combineren, ik raakte oververmoeid. Op een gegeven moment ging ik een dag minder werken, net toen mijn muziek meer aandacht begon te krijgen. Sinds dat moment is er eigenlijk een stijgende lijn. Ik vond het ook niet erg toen mijn contract bij de supermarkt niet werd verlengd. Het lijkt dan of je een vrije val maakt, maar ik was aan het vliegen.”

Positieve energie

“Ik vraag niet veel van het artiestenleven. Het enige wat ik hoop is dat ik zonder financiële stress kan leven, zodat ik alle tijd heb voor de muziek. Mijn doel is om mijn luisteraars positieve energie te geven. Ik maak meestal muziek die best uplifting is.”

“Mijn eerste beat maakte ik toen ik 12 was. De eerste drie jaar maakte ik echt de meest afgrijselijke muziek ooit,” zegt hij lachend. “Mijn broer Sean was altijd mijn klankbord. Dan vroeg ik hem of hij mijn beats wilde luisteren en was hij heel enthousiast. Vijf jaar later zei hij ‘ik vond het eigenlijk echt niks, maar dat wou ik toen niet zeggen’. Mede dankzij hem ben ik er vol voor gegaan. Ik was ook veel met skateboarden en graffiti bezig, maar muziek werd toch het belangrijkst. Sinds kort is het echt mijn job. Dat is wel bijzonder.”

Creatief proces

Wanneer is hij op zijn best als producer? Nick vertelt dat hij het liefst ’s nachts werkt. “Als de wereld stil ligt – in ieder geval voor mijn gevoel. Tegenwoordig probeer ik ook wel een beetje structuur in de week te brengen en ’s ochtends op tijd eruit te gaan. Het is wel lastig, want als je ’s avonds geïnspireerd raakt, waarom zou je het dan negeren en naar bed gaan? Je kunt het ook accepteren en volle bak toffe dingen maken.”

Rotterdam is een stad met een grote drive. Er zijn zo veel mensen hier die mooie dingen maken, mensen die echt iets willen neerzetten.

Dan de andere kant van het creatieve proces: wat is het meest uitdagend? “De belangrijkste uitdaging is toch wel om mezelf tevreden te houden. Hoe kan ik muziek maken die vernieuwend is en ook interessant voor mezelf? Natuurlijk denk ik ook aan de luisteraar, maar het begint bij mezelf. Ik probeer nieuwe wegen te zoeken om op nieuwe ideeën te komen.”

“Ik maakte heel lang hiphopbeats maar na een tijdje wilde ik meer. Het heeft me wel een goede basis gegeven. Ik heb er een soort edgy sound aan overgehouden. Soms zeggen mensen tegen me dat ze muziek van mij kunnen herkennen aan de drums. Dat heb ik geleerd van hiphop, van het samplen. Het is mooi dat dat iets blijft betekenen.”

Hiphop en frisse lucht

Zijn grote invloeden? “Vroeger waren dat vooral de bekende producers uit de hiphop. DJ Premier, J Dilla, Buckwild, DJ Babu van Dilated Peoples. Na een tijd had ik het gevoel dat ik begreep hoe ze werken en waar de sound vandaan komt. Toen ben ik vanuit hiphop dieper in de oude soulmuziek gedoken, omdat dat veel gesampled wordt. Nu haal ik ook inspiratie uit de meest vage muziek, van bijna spirituele ambient tot knetterharde house. Maar ook uit popmuziek. Je kunt altijd nieuwe ingevingen krijgen door andere genres te checken.”

“Rotterdam inspireert me ook. Het is een stad die veel voor me betekent. Ik kom uit Zeeland en daar voelde ik al de vonk van de muziek, maar hier heb ik het verder uitgebouwd. Rotterdam is een stad met een grote drive. Er zijn zo veel mensen hier die mooie dingen maken, mensen die echt iets willen neerzetten. Het is een omgeving die hard gaat en daar ga je al gauw in mee. Maar daarom ga ik af en toe ook graag terug naar Middelburg. Even frisse lucht happen en met je poten op aarde landen.”

In de rest van het interview vertelt Nick over zijn samenwerking met Boogie Angst (het label van Kraak & Smaak), het werken aan zijn debuutalbum, het eigenhandig opbouwen van een enorme online fanbase, en wat hij leerde van zijn eerste optredens in het buitenland.

Met dank aan Moods en eej! magazine.